Une brève présentation des articles de doctrine de ce numéro
Een beknopte voorstelling van de doctrineartikels van dit nummer
Principe dispositif et lois d’impôts, Nathalie PIROTTE
L’hypothèse de l’irrecevabilité de l’action, soulevée d’office par le juge fiscal, alors que le directeur régional aurait déclaré la réclamation recevable, porte atteinte à l’interdiction du tribunal d’aggraver la situation du contribuable dans le litige fiscal qu’il a introduit. C’est pourtant là une exacte application du caractère d’ordre public du droit fiscal. L’action n’est pas la demande; l’examen des conditions de recevabilité de la première est étranger à l’objet de la seconde. Parmi les moyens que le juge fiscal est autorisé à soulever d’office, une distinction s’impose selon leur nature: soit ils relèvent de l’ordre public procédural, soit ils relèvent de l’ordre public matériel. Dans le premier cas, le juge fiscal a l’obligation d’étendre son examen à tous les moyens susceptibles de confirmer ou infirmer l’imposition. Il ne soulève pas une contestation nouvelle, ni ne modifie l’objet ou la cause de la demande. Tel serait le cas dans la seconde hypothèse, s’il soulevait d’office un moyen tiré de l’ordre public matériel en trouvant une nouvelle justification légale à l’imposition, un fondement légal autre que celui retenu par le taxateur dans l’avis de rectification ou la notification d’imposition d’office. Le formalisme obligatoire de la phase précontentieuse, dont le respect est prescrit à peine de nullité, démontre l’immutabilité du fondement légal retenu ab initio par le taxateur et, partant, une conception restrictive de la cause dans le procès fiscal. Permettre au juge fiscal ou au fisc de soulever d’office un nouveau fondement légal de nature à justifier l’imposition revient à refaire la taxation initiale, au mépris du principe de séparation des pouvoirs et au mépris du seul et unique mécanisme légal correcteur qu’est l’article 356 du C.I.R. 1992.
De hypothese van de onontvankelijkheid van de vordering, ambtshalve opgeworpen door de fiscale rechter, terwijl de gewestelijke directeur het bezwaar ontvankelijk zou hebben verklaard, doet afbreuk aan het verbod voor de rechtbank om de situatie van de belastingplichtige te verzwaren in het fiscaal geschil dat hij heeft ingeleid. Dit is nochtans een correcte toepassing van het openbare orde karakter van het fiscaal recht. De vordering is niet het verzoek; het onderzoek van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de eerste is vreemd aan het voorwerp van de tweede. Tussen de middelen die de fiscale rechter gerechtigd is om ambtshalve op te werpen werpt zich een onderscheid op naar hun aard : ofwel behoren zij tot de procedurele openbare orde, ofwel behoren zij tot de materiële openbare orde. In het eerste geval heeft de fiscale rechter de plicht om het onderzoek uit te breiden tot alle middelen die de aanslag zouden kunnen bevestigen of weerleggen. Hij werpt geen nieuwe aanslag op noch wijzigt hij het voorwerp of de oorzaak van het verzoek. Dit zou wel het geval zijn in de tweede hypothese, indien hij ambtshalve een middel van materiële openbare orde zou opwerpen door een nieuwe wettelijke rechtvaardiging te vinden voor de aanslag, een wettelijke basis andere dan deze weerhouden door de belastingambtenaar in het bericht van wijziging of het bericht van ambtshalve aanslag. Het verplichte formalisme van de precontentieuze fase, waarvan de eerbiediging is voorgeschreven op straffe van nietigheid, toont het onveranderbare karakter aan van de wettelijke basis ab initio weerhouden door de belastingambtenaar en, van daaruit, een restrictief begrip van de oorzaak van het fiscaal proces. Aan de fiscale rechter toelaten om een nieuwe wettelijke basis ambtshalve op te werpen die de aanslag rechtvaardigt komt neer op het overdoen van de initiële taxatie, met miskenning van het principe van de scheiding van machten en met miskenning van het enkele en enige wettelijk corrigerende mechanisme dat artikel 356 W.I.B. 1992.
L’arrêt Cobelfret : Et maintenant que faire? Jacques PIETERS
La décision de la Cour de justice du 12 février 2009 dans l’arrêt Cobelfret a, dans une large mesure, mis fin à une discussion qui perturbe le monde fiscal belge depuis près de 20 ans. Or, le milieu des fiscalistes s’interroge désormais sur une question, finalement bien plus cruciale: comment pouvons-nous faire face aux conséquences de ces 20 dernières années? La Cour ne propose cependant pas de lignes directrices à ce sujet. L’administration fiscale a entre-temps donné une première (ainsi qu’une seconde) interprétation, mais cela suffit-il? Quelles démarches procédurales peut/doit entamer le contribuable et que se passera-t-il si celles-ci sont tardives? Le présent article tente de donner une première réponse à ces questions, ainsi qu’à d’autres, qui ont surgi suite à l’arrêt Cobelfret.
Het Cobelfret-arrest van het Hof van Justitie van 12 februari 2009 heeft een einde gemaakt aan (de belangrijkste punten van) een discussie die de Belgische fiscale wereld bijna 20 jaar lang in zijn greep gehouden heeft. Nu staat diezelfde fiscale wereld voor een eigenlijk veel belangrijkere vraag : hoe gaan we om met de gevolgen van deze laatste 20 jaar? Het Hof geeft hieromtrent immers geen richtlijnen. De Belastingsadministratie heeft ondertussen reeds een eerste (en tweede) duiding gegeven, maar volstaat deze? Welke proceduriele stappen kan/moet de belastingplichtige ondernemen en wat als het te laat is? Het onderstaande artikel tracht een eerste antwoord te geven op deze en andere vragen die gerezen zijn na het Cobelfret-arrest.
DOCTRINE
- Principe dispositif et lois d’impôts, Nathalie PIROTTE
- L’arrêt Cobelfret : et maintenant que faire ? Jacques PIETERS
JURISPRUDENCE
GÉNÉRALITÉS
- Civ. Bruxelles (32e ch.), 18 décembre 2009
IMPÔTS SUR LES REVENUS ET TAXES ASSIMILÉES
- Cass. (1re ch.), 19 mars 2009
- Cass. (1re ch.), 30 avril 2009
- Cass. (1re ch., sect. fr.), 6 novembre 2009
- Cass. (1re ch., sect. fr.), 27 novembre 2009
- Cass. (1re ch., sect. fr.), 27 novembre 2009
- Cass. (1re ch., sect. fr.), 27 novembre 2009
- Cass. (1re ch., sect. fr.), 18 décembre 2009
- Cass. (1re ch., sect. fr.), 18 décembre 2009
- ruxelles (ch. 6SN), 6 janvier 2010
TAXE SUR LA VALEUR AJOUTÉE
- Cass. (1re ch., sect. fr.), 27 novembre 2009
DROITS DE SUCCESSION – DROITS D’ENREGISTREMENT
- Liège (20e ch.), 18 décembre 2008
Note d’observations, Audrey PÜTZ
Découvrez la table des matières complète