Une brève présentation des articles de doctrine de ce numéro
Een beknopte voorstelling van de doctrineartikels van dit nummer
La légalité des taxes locales sur spectacles et divertissements au regard de l’article 464, 1° du C.I.R. : Cour de cassation vs Conseil d’État, Patrick SEUTIN
Le problème de la légalité d’un règlement-taxe sur spectacles et divertissements au regard de l’article 464, 1° du C.I.R. a généré une importante jurisprudence et celle-ci est loin d’être unanime. Récemment, la Cour de cassation et le Conseil d’État ont rendu des arrêts dont les enseignements respectifs paraissent inconciliables. Le sujet était donc particulièrement digne d’intérêt et la contribution qui suit tente de faire le point en examinant les arguments qui aboutissent, selon les cas, à la légalité ou à l’illégalité de semblables taxes au regard de la prohibition générale pour les communes d’établir des taxes similaires à des centimes additionnels à l’impôt des sociétés inscrite à l’article 464, 1° du C.I.R.
Het probleem van de wettigheid van een belastingreglement op spektakels en vertoningen in het licht van artikel 464, 1° W.I.B. heeft een belangrijke jurisprudentie gegenereerd die nog ver van unaniem is. Onlangs hebben het Hof van Cassatie en de Raad van State arresten geveld waarvan de respectievelijke gevolgtrekkingen onverzoenbaar lijken. Het onderwerp is dus bijzonder belangenswaardig en de hiernavolgende bijdrage probeert het
punt naar voor te brengen door de argumenten te onderzoeken die, naargelang het geval, leiden tot de wettigheid of onwettigheid van gelijkaardige belastingen in het licht van het verbod voor gemeenten, ingeschreven in artikel 464, 1° W.I.B. 1992, om belastingen gelijkaardig aan opcentiemen op de vennootschapsbelasting te heffen.
Les dépens en matière fiscale, Lionel ORBAN
La matière des dépens a considérablement évolué depuis l’adoption de la loi du 21 avril 2007. La matière du droit fiscal n’a fait l’objet d’aucune attention particulière du législateur. Pourtant, de nombreuses questions spécifiques se posent, sans avoir, semble-t-il, été aperçues par ce législateur. La présente contribution relève ces questions, donne le point de vue de la Cour de cassation lorsqu’il existe, et lance des pistes de réflexion appuyées ou non par la jurisprudence des juridictions de fond.
De materie inzake kosten is aanzienlijke geevolueerd sinds het aannemen van de Wet van 21 april 2007. De materie inzake fiscaal recht heeft geen enkele bijzondere aandacht gekregen van de wetgever. Nochtans stellen zich talrijke specifieke vragen zonder dat deze, althans zo lijkt het, werden opgemerkt door de wetgever. De huidige bijdrage werpt deze vragen op, geeft het standpunt van het Hof van Cassatie wanneer dit voorhanden is, en lanceert een aantel denkpistes al dan niet ondersteund door de rechtspraak van de bodemrechters.
Avocat, Professeur à l’École Supérieure des Sciences Fiscales
(ESSF-ICHEC), Professeur à l’ICHEC-Entreprises.
Assistant à l’Université de Liège, avocat au barreau de Liège.