Une brève présentation des articles de doctrine de ce numéro
Een beknopte voorstelling van de doctrineartikel van dit nummer
La charge de la preuve dans l’application des conventions préventives de la double imposition (particulièrement dans le cadre de l’article 15 du modèle de convention préventive de la double imposition), Patrick SEUTIN
La première convention préventive de la double imposition signée par la Belgique remonte à 1964 et, à la connaissance de l’auteur, le problème de la charge de la preuve en droit belge dans un contexte international n’a jamais été posé en tant que tel. La contribution qui suit n’a d’autre prétention que de formuler une thèse après que l’auteur ait examiné successivement les caractéristiques générales des conventions préventives de la double imposition, la charge de la preuve en droit interne belge ainsi que la jurisprudence connue lors de la rédaction du texte qui suit. L’auteur s’est attaché en particulier à l’article 15 du modèle de convention préventive de la double imposition et son application dans le cadre de la convention belgo-luxembourgeoise compte tenu de l’importance pratique du problème de la charge de la preuve et du contentieux généré dans le cas suivant : un habitant du Royaume, par ailleurs salarié ou dirigeant d’une société dirigeante du Luxembourg. Het eerste dubbelbelastingverdrag getekend door België gaat terug tot 1964 en, bij weten van de auteur, werd het probleem van de bewijslast naar Belgisch recht in een internationale context nog nooit als dusdanig gesteld. De bijdrage die volgt heeft geen enkele andere pretentie dan het formuleren van een stelling, nadat de auteur achtereenvolgens de algemene kenmerken van dubbelbelastingverdragen, de bewijslast naar Belgisch intern recht alsmede de jurisprudentie gekend op het ogenblik van de redactie van de hiernavolgende tekst heeft onderzocht. De auteur heeft zich in het bijzonder gericht op artikel 15 van het model dubbelbelastingverdrag en diens toepassing in het kader van het Belgisch-Luxemburgs dubbelbelastingverdrag rekening houdend met het praktisch belang van het probleem van de bewijslast en van het geschil ontstaat in het volgend geval: een inwoner van het Koninkrijk, overigens tewerkgestelde of bestuurder van een bestuurdersvennootschap in Luxemburg.
The burden of proof in european tax cooperation, Luigi VINCIGUERRA
La charge de la preuve dans la coopération fiscale européenne. La directive actuelle sur l’assistance administrative en matière fiscale contient diverses limites qui ont conduit les États membres à parfois inverser la charge de la preuve dans les rapports internationaux de leurs contribuables. La Cour de justice, si elle a estimé que la directive permettait à un État membre d’obtenir d’un autre toutes les informations nécessaires pour déterminer le montant de l’impôt, a également établi que rien n’empêchait l’autorité fiscale d’exiger du contribuable qu’il fournisse la preuve nécessaire à l’obtention d’avantages fiscaux (Twoh International). Par ailleurs, un contribuable ne peut forcer un État membre à demander des informations par la voie de l’assistance mutuelle (Hein Persche). Le renversement de la charge de la preuve ne peut toutefois aboutir à une mesure restrictive des libertés du Traité. La nouvelle directive sur l’assistance mutuelle prévoit une coopération plus large et notamment la mise en oeuvre progressive d’un échange automatique d’informations.
De bewijslast bij Europese fiscale samenwerking De huidige Richtlijn betreffende de wederzijdse bijstand op het gebied van belastingen bevat diverse beperkingen die de Lidstaten ertoe hebben aangezet om de bewijslast om te keren in de internationale verhoudingen van hun belastingplichtigen. Het Hof van Justitie, waar zij heeft geoordeeld dat de Richtlijn toestaat aan een Lidstaat om van een andere alle inlichtingen te bekomen die hun van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belasting, heeft eveneens vastgesteld dat niets belet dat de betrokken belastingautoriteit van de belastingplichtige zelf de bewijzen vereist die zij noodzakelijk acht met het oog op het bekomen van fiscale voordelen (Twoh International). Overigens kan een belastingplichtige een Lidstaat niet dwingen om inlichtingen te verzoeken door middel van wederzijdse bijstand (Hein Persche). De omkering van de bewijslast mag echter niet resulteren in een beperking van de Verdragsvrijheden. De nieuwe richtlijn inzake wederzijdse bijstand voorziet een ruimere samenwerkingen en meerbepaalde het progressief in werking stellen van een automatische uitwisseling van informatie.
Avocat. Chargé de cours aux HEC/Liège. Maître de conférences à
l'Université de Liège.
Avocat au barreau de Bruxelles. Chargé de cours à l’Université
libre de Bruxelles. Directeur de la licence en notariat
Après plusieurs années passées au barreau puis au sein de divers
services du Ministère des Finances, Marie-Christine Valschaerts est
actuellement juriste fiscaliste à la SNCB.