Une brève présentation des articles de doctrine de ce numéro
Een beknopte voorstelling van de doctrineartikels van dit nummer
Contrefaçon, internet et compétence internationale: le droit d’auteur échapperait-il à la théorie de la focalisation ?
L’application du droit international privé au domaine d’Internet est complexe. L’auteur revient sur la théorie de la «focalisation» qui a été imaginée afin de remédier aux affres de la compétence internationale quasi-systématique de tous les tribunaux du monde, lorsqu’un fait délictueux est commis en ligne. Cette théorie de la «focalisation» trouve essentiellement son origine en droit des marques, mais est-elle nécessairement applicable mutatis mutandis aux contrefaçons en ligne de droits d’auteur ? Des arguments sérieux permettent d’en douter. Cette problématique, en apparence purement procédurale, force l’auteur à comparer le droit des marques et le droit d’auteur du point de vue du droit substantiel.
De toepassing van het internationaal privaatrecht op het Internet is complex. De auteur komt terug op de theorie van de «gerichtheid» die werd gecreëerd om een einde te maken aan het probleem van de quasi-systematische internationale bevoegdheid van alle rechtbanken wereldwijd, wanneer een strafbaar feit online wordt gepleegd. Deze theorie van de «gerichtheid» vindt zijn oorsprong voornamelijk in het merkenrecht, maar is zij noodzakelijkerwijze mutatis mutandis van toepassing op online inbreuken op het auteursrecht? Er bestaan ernstige argumenten om dit in vraag te stellen. Deze op het eerste zicht louter procedurele problematiek noopt de auteur het merkenrecht met het auteursrecht te vergelijken vanuit het materiële recht.
Het Belgisch stelsel inzake de vergoeding voor eigen gebruik (artt. 55 t.e.m. 58 A.W.) – Een analyse, mede in het licht van de (overvloedige) rechtspraak van de Belgische en Europese rechtscolleges
In deze bijdrage wordt een analyse gegeven van de Belgische regels inzake thuiskopievergoeding. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan artt. 55 tot en met 58 A.W. en hun uitvoeringsbepalingen alsmede aan de overvloedige rechtspraak met betrekking tot de toepassing van deze regels. Naar aanleiding van een aantal recente arresten van het Europese Hof van Justitie, onder meer in het kader van de zaken Padawan en Thuiskopie, zijn deze bepalingen het voorwerp van een vernieuwde belangstelling geworden. Zoals in de bijdrage ook wordt benadrukt is deze belangstelling zeker welkom omdat de draagwijdte en precieze werking van de betrokken regels lange tijd onderbelicht zijn gebleven en, als gevolg hiervan, de voordelen van het Belgische stelsel o.i. onterecht zijn verhuld.
Cette contribution contient une étude des règles belges en matière de redevance pour copie privée. Dans ce cadre, font l’objet d’une attention particulière les articles 55 à 58 de la loi sur le droit d’auteur et leurs modalités d’exécution, ainsi que la jurisprudence abondante relative à l’application de ces règles. À l’occasion d’un certain nombre d’arrêts rendus par la Cour européenne de justice, et notamment dans le cadre des affaires Padawan et Thuiskopie, ces dispositions suscitent à nouveau l’intérêt. Comme le souligne également cette contribution, ce regain d’intérêt est certainement le bienvenu puisque, pendant longtemps, la portée et le fonctionnement précis des règles en cause ont été relativement peu commentés, avec pour conséquence que les avantages du système belge ont rarement été mis en lumière.
Avocat au barreau de Bruxelles.
Voormalig directeur-generaal Televisie
VRT.
Assistant à l'Université catholique de Louvain et aux Facultés
universitaires Saint-Louis.
Wetenschappelijk medewerker aan het
Interdisciplinair Centrum voor Rechten en ICT van de K.U.Leuven
(ICRI) en onderzoeker verbonden aan het Interdisciplinair Instituut
voor Breedband Technologie (IBBT).
Avocat au barreau de Bruxelles.
Avocat au barreau de Bruxelles.
Avocat au barreau de Bruxelles.
Auditeur adjoint au Conseil d'État.
Professeur à l'Université de Gand, où il enseigne les cours de
droit des médias, de droit d’auteur et de déontologie
journalistique. Il dispense également le cours de droit des médias
à l’Université de Copenhague depuis 2003 et à l’Université d’Oxford
dans le cadre du programme « Comparative Media Law and Policy »
(PCLMP) depuis 2002. En 2003, il publiait Handboek
Mediarecht, Bruxelles, Larcier et en 2005, Wetboek Media
en Journalistiek, Kluwer, avec E. Brewaeys ...